Inhoud
Inleiding
De evolutie: van natuurexploratie tot natuurexploitatie
De huidige context: een gereglementeerd toegangsbeleid dat niet voor iedereen geldt en een jungle inzake veiligheid...
Jeugd(verenigingen) en avontuurlijke natuurgebonden activiteiten: liefde op het eerste gezicht?
Vormingen voor jeugdwerkers en -verenigingen

Inleiding
Avontuurlijke vrijetijdsbesteding zit al enkele jaren in de lift. Meer en meer mensen vinden hun weg naar natuursporten als klimmen, speleologie, mountainbike of kajak. Het succes van een beurs als Adventure Affair getuigt van deze tendens. Avontuur is vandaag meer dan ooit bereikbaar geworden. Een schoolsportdag zonder afvaart van de Lesse of avonturentocht is haast ondenkbaar geworden.
Helaas heeft dit niet alleen positieve gevolgen: om in te spelen op dit sterk opkomend marktsegment, schieten de buitensportorganisaties als paddestoelen uit de grond. Op zich niets verontrustend natuurlijk, ware het niet dat commerciële belangen de functie en het belang van de natuur in de buitensport anders dreigen in te kleuren. Verder moet men zich de vraag durven stellen in welke mate de veiligheid van de deelnemers in de huidige, haast ongereglementeerde, context gewaarborgd kan worden.
Deze explosieve groei vroeg en smeekt nog steeds naar een aantal maatregelen om zowel de natuur als diegenen die haar opzoeken te beschermen tegen de druk van commerciële waanzin.

Wettelijke bepalingen en een gereglementeerde erkenning van de gekwalificeerde buitensportbegeleider zullen allicht niet voor morgen zijn.

De evolutie: van natuurexploratie tot natuurexploitatie
Natuursporten vonden veelal hun oorsprong uit een bepaalde menselijke behoefte. Zo zijn de kajak of de mountainbike het antwoord op een specifieke situatie omtrent personentransport. Je kan dus stellen dat, in dit geval, natuur (rivier, met gewone fiets moeilijk berijdbaar terrein) gebruikt werd ter voldoening van een menselijke behoefte. En dit is vandaag nog zo, behalve dat de oorspronkelijke behoefte verworden is tot een hedendaagse consumptie-behoefte. Zo ligt er op het toeristische deel van de Lesse een vloot van een 3.500-tal boten klaar om in te spelen op je ontspanningsbehoefte. De Lesse wordt trouwens beheerd als een modern sportcomplex, met inbegrip van sanitaire voorzieningen, cafetaria's en fritkotten. En niet alleen op start- en aankomstplaats, maar ook onderweg vind je een aantal buffetten waar de dorstige zijn dorst kan laven...
Anders is het met speleo of klimmen. Hier is het moeilijker de achterliggende gronden die tot verticale voortbeweging uitnodigden, te achterhalen. Dat innerlijke verkenning van de eigen grenzen, nieuwsgierigheid en natuurexploratie achterliggende factoren waren, lijkt aannemelijk. Vandaag de dag neemt natuurexploratie en grotbescherming, in speleofederaties en -clubs een primordiale plaats in. En dit als antwoord op de accentverschuiving van innerlijke naar uiterlijke beleving die zich ook in deze sport liet waarnemen. Want het is nog niet zo lang geleden dat volle bussen, tegen betaling, onder minimale begeleiding in grotten werden gedropt. Met alle gevolgen van dien: zowel voor de grotten (plundering van natuurlijke rijkdommen als stalactieten en stalagmieten, aanbrengen van graffiti, achterlaten van allerhande verpakkingen gaande van bierflesjes tot maandverband enz.), als voor de bezoekers (lange wachttijden, onaangepaste begeleiding en ongevallen).
Commerciële belangen hebben het wezenlijk element 'natuur' in de natuurgebonden sporten volledig geherdefinieerd. Waar de mens ooit op zoek ging naar middelen om zich efficiënter doorheen de natuur te begeven, is hij nu op zoek naar middelen om de natuur zodanig in te richten dat zij optimaal tegemoet kan komen aan de drang naar avontuur van zoveel mogelijk klanten. Sommige rivieren werden zelfs van artificiële stuwtjes en stroomversnellingen voorzien om het spektakelgehalte van een afvaart te garanderen.

De huidige context: een gereglementeerd toegangsbeleid dat niet voor iedereen geldt en een jungle inzake veiligheid...
Het werd hoog tijd dat het onbelemmerd uitbuiten van natuurlijke rijkdommen aan banden werd gelegd. De U.B.S. ging over tot het plaatsen van stevige en van sloten voorziene hekken in de door haar beheerde initiatiegrotten, grotten die m.a.w. geschikt zijn voor een -al dan niet commerciële- kennismaking. De sleutels worden enkel ter beschikking van speleoclubs en clubleden gesteld, of aan buitensportorganisaties die aan bijkomende voorwaarden inzake opleiding moeten voldoen. Daarenboven heeft de U.B.S. in samenwerking met de V.V.S. een deontologische code uitgevaardigd voor wat de gidsingen (=het initiëren van niet-speleologen) betreft. Zo mag een groep omwille van veiligheidsvoorschriften maar maximum 10 leden tellen en moeten zij begeleid worden door één erkende gids per vijf deelnemers. De gids is daarenboven verplicht een woordje uitleg te verschaffen omtrent grotbescherming en omtrent de geologische en biologische aspecten van de grot.
Een aantal buitensportorganisaties hoeft zich hier echter niets van aan te trekken: doordat zij zelf eigenaar of huurder van een grot zijn, kunnen zij er hun eigen regels uitvaardigen. Als klant mag je je daar in het beste geval aan één gids per twaalf deelnemers verwachten; in het slechtste aan één per 25, terwijl er in dezelfde grot nog twee andere groepen van 25 personen ronddolen. Over de opleiding en didactische achtergrond van sommige gidsen kan men kort zijn: er is er geen.
En ook de overgrote meerderheid der klimrotsen werden in de loop der jaren onder het beheer van een drietal bergsportfederaties (Belgische AlpenClub - Club Alpin Belge, Vlaamse BergsportFederatie en de Natuurvrienden) verzameld, zodat ook hier de toegang tot de massieven voornamelijk voor eigen leden kon worden gereserveerd. Sommige massieven mogen, tegen betaling, ook door niet-leden betreden worden. Zo betaal je als volwassene 400 BeF voor een dagje klimmen te Freyr (begeleiding en materiaal zijn niet inbegrepen).
Maar ook hier bleven de grote buitensportorganisaties buiten schot. Door hun kapitaalkrachtigheid en hun lokale politieke contacten verwierven zij, hetzij hun eigen klimmassief, hetzij de toelating een gemeentelijk massief te gebruiken. In sommige gemeenten is zo'n buitensportcentrum dermate belangrijk voor het lokaal economisch welvaren dat het plaatselijk gemeentebestuur het onrechtmatig betreden van provinciaal natuurreservaat gewillig door de vingers zien.
Er restte de wetgever enkel nog de toegankelijkheid van bossen en waterlopen aan banden te leggen. Dit gebeurde dan ook. De mogelijkheden voor mountainbikers, paardrijders en motorsporters werden bijgeschroefd en het in- en uitstappen van de kajak is enkel nog op welbepaalde plaatsen en tijdstippen toegestaan.
Maar ook de natuursportsector bleef niet met lede ogen toezien. De B.F.N.O., een federatie die de belangen van de grootste profit organisaties behartigt, besteedde in haar gedragscode de nodige aandacht aan natuurvriendelijkheid en veiligheid. Spijtig genoeg heeft de ondertekening van deze code door de B.F.N.O.-leden in de praktijk maar weinig te betekenen. Alle bovengenoemde misbruiken werden immers opgetekend in organisaties die deel uitmaken van het B.F.N.O. Zonder echter alle B.F.N.O.-leden over dezelfde kam te willen scheren of de eerbare bedoelingen die aan de basis van de gedragscode liggen, in twijfel te willen stellen, mag de vraag gesteld worden wat het nut is van dergelijke code zonder overkoepelend en vooral onafhankelijk controle-orgaan.
Bij de evaluatie van de veranderingen die deze reeks reglementen en restricties heeft teweeggebracht, moet worden nagegaan of het beoogd resultaat bereikt werd. Want enerzijds is het zo dat organisaties die over en weer tussen Vlaanderen of Nederland en de Ardennen of de Condroz pendelen eindelijk door allerhande instanties aan controle onderworpen zijn, maar anderzijds blijven 'stationaire' buitensportcentra echter veilig buiten schot: zij beschikken over al het nodige (privé-rotsen, -grotten, -steengroeves, -bossen) waarmee ze naar believen kunnen rotzooien en lachen heimelijk in hun vuistje met de problemen van de concurrentie.
Inzake veiligheid bevindt de buitensportsector zich nog steeds in een jungle, waar alles kan en mag. Naar buiten toe gebruikt haast elke organisatie de term 'veiligheid' in een sloganeske reclamevorm, maar intern beschikt men zelfs vaak niet eens over opgeleide en gespecialiseerde mensen om die term ook daadwerkelijk inhoud mee te geven. Vanuit een zuiver economische benadering betekent veiligheid daarenboven een belangrijke onkostenpost met weinig 'return on investment'.
Er bestaat geen enkele wettelijke bepaling die de veiligheid in de buitensportsector reglementeert en doordat de deelnemer aan avontuurlijke activiteiten doorgaans niet in staat is om de eventuele objectieve gevaren waaraan hij zich blootstelt, deskundig in te schatten, wordt de organisatie ook economisch niet verplicht om de deelnemer ideale veiligheidsomstandigheden aan te bieden.
Er blijft zowel in het profit als in het non profit-natuursportgebeuren een prangende nood aan doorgedreven professionalisme. In deze context is de Franse reglementering inzake buitensportbegeleiding ongetwijfeld beter aangepast aan de noden. De toch niet risicoloze buitensporten kunnen er enkel begeleid worden door staatsgediplomeerde en dus bekwame begeleiders. In hun opleiding zitten, naast de voor de hand liggende technische, didactische en pedagogische scholing, tevens natuurbescherming en wetgeving vervat.

Jeugd(verenigingen) en avontuurlijke natuurgebonden activiteiten: liefde op het eerste gezicht?
Ook binnen jeugdverenigingen is het vrij eenvoudig om de groeiende populariteit van avontuurlijke activiteiten te onderkennen. Het uitdagende en natuurgebonden karakter van dergelijke activiteiten ligt immers volledig in de lijn van de historische grondslag van de jeugdbeweging: touwenparcours worden bijvoorbeeld algemeen beschouwd als waardevolle en karaktervormende opdrachten, die de mentale en fysieke weerbaarheid van de jongere ten goede komen.
Maar -helaas- ontsnappen ook de jeugdverenigingen niet aan de minder aangename gevolgen van de avonturen-boom. Ongevallen met death-rides en andere potentieel gevaarlijke activiteiten zijn ondertussen legio en noopten de verzekeraars van sommige landelijke jeugdverenigingen tot drastische actie: aan dergelijke activiteiten werden bijkomende opleidingsvoorwaarden gekoppeld, zonder dewelke eventuele ongevallen buiten de verzekeringspolis dreigden te vallen. Deze maatregel, gekoppeld aan de beperkte toegankelijkheid van rotsmassieven, rivieren en grotten, vertekende het beeld van natuurgebonden en avontuurlijke activiteiten binnen jeugdverenigingen: waar elke lokale afdeling vroeger wel over een specialist van het huis beschikte, is diezelfde specialist tegenwoordig meer en meer aangewezen op samenwerking met natuursportorganisaties.
Door de onbestaande wetgeving inzake het aanbieden van natuursporten, kan men zich de vraag stellen of de jeugdvereniging nu beter gewapend is tegen ongevallen...

In de huidige context is het, vooraleer men zich als jeugdwerker inlaat met het organiseren en/of begeleiden van natuurgebonden en avontuurlijke activiteiten, aangewezen om een degelijke opleiding te genieten.
Vormingen voor jeugdwerkers en -verenigingen